Bevolkingsbeleid

Als jongen van negen hoorde ik op de radio dat Nederland 12 miljoen inwoners had. Het getal tolde door mijn hoofd onderweg naar school rennend. Meestal liep ik hard samen met mijn broertje. We vonden het leuk en we deden ook een beetje aan records. Maar toen liep ik alleen, waarom weet ik niet meer. Met dat getal van 12 miljoen in mijn hoofd probeerde ik me daar een voorstelling van te maken. Twaalf was in mijn jeugd een bijzonder getal. Het oude Israël bestond uit twaalf stammen. Jezus had twaalf discipelen en ze deelden twaalf manden met eten uit aan de gasten op de Olijfberg. Mijn hersenen rekenden uit hoeveel 12 miljoen wel niet moest zijn, dus mijn benen vielen stil. Geen record vandaag. Toen ik er eindelijk uit was, duizelde het voor mijn ogen. Hoe is het mogelijk dat zo’n piepklein landje, zoals oom Hans altijd zei, zoveel mensen kon herbergen?
In de jaren ’90 groeide onze bevolking naar 15 miljoen. Maar er was een kentering waarneembaar aan de horizon van de toekomst. Deskundigen voorspelden een bevolkingskrimp. Want vergrijzing, ontgroening en een verlies aan vruchtbaarheid. O, o, als dat maar goed ging. Hoe moesten al die ouderen straks gevoed en verzorgd worden? Echter, er was ook een clubje deskundigen dat die krimp juist verwelkomde. Nederland was te klein voor verdere bevolkingsgroei als wij ons landschap én onze natuur wilden behouden. Eigenlijk was zo’n 10 miljoen de ideale bevolkingsomvang.
Ik begon me te verdiepen in de ontwikkeling van de bevolkingsgroei van ons landschappelijk zo bijzondere lage landje. In 1900 telde ons land 5 miljoen inwoners. In de jaren na de tweede wereldoorlog was de toenmalige regering van mening dat ons land te vol werd met huizen, wegen en 10 miljoen mensen. Ze stimuleerde de bevolking met forse premies om te emigreren naar Canada, Australië en Nieuw-Zeeland. Daar was land te over. Daar was behoefte aan vaklui, boeren en jonge mensen.
We groeien nu richting de 18 miljoen. De woningmarkt zit op slot. De arbeidsmarkt is oververhit. Zorg en landbouw lopen vast. Haven Rotterdam en Schiphol dreigen zich kapot te groeien. Natuur en landschap staan onder grote druk. We hebben een watertekort. De politiek versplintert en polariseert. De bevolking deelt zich op in bubbels waarbinnen men voor 100% overtuigd is van het eigen gelijk en de andere bubbels beschuldigt van de ergste dingen. Het openbare internet dat bedoeld was de wereld te verbinden, stortte ons landje in een digitale burgeroorlog. Toch was Nederland materieel gezien nog nooit zo rijk.
Een jaar of vijf geleden stond ik te wachten op het station. Er was vertraging. Eindelijke stopte mijn trein langs het perron. Maar die zat en stond propvol met eerder ingestapte reizigers. Vergeefs bonsden enkele reizigers op de ramen van de gesloten wagondeuren. Agressieve uitingen tussen reizigers binnen en buiten werden uitgewisseld. Maar de trein opende zijn deuren niet, de machinist reed door.
Wat de machinist besloot was begrijpelijk. Om de passagiers te sparen reed hij door, de trein was al overvol. Bij mensen is het een beetje zoals bij muizen. Met 4 in een ruime kooi is het gezellig. Met 16 wordt de sfeer binnen wat gejaagd. Maar met 68 is de kooi te krap en vliegen de muizen elkaar aan. Het hooi wordt schraal en het drinkwater bescheten. Vluchtelingen voor honger en geweld horen altijd een veilig onderkomen te vinden in Nederland. Dat is onze dure morele plicht. Maar onbeperkte immigratie om andere redenen verdient heroverweging. Zelfs de ruimte op de Olijfberg was eindig.

Afbeelding van Gerd Altmann via Pixabay